Even later kwam zoon Jan Quintus naar beneden. Hij zei dat zijn vader onwel was geworden en vroeg of iedereen rustig naar huis wilde gaan. Vanuit de torenruimte onder het orgel werd Zwart de ambulance in gedragen. 'En toen we daar buiten kwamen, stond het er zwart van de mensen. Ze wilden nog niet naar huis. Ze moesten eerst weten hoe het met Zwart was. Heel stil hebben al die mensen staan kijken toen de ziekenauto wegreed. Niemand heeft wat gezegd.'
Ze heeft haar man veel afgestaan aan het orgel, zegt ze. 'En ook aan de mensen. Mijn man had veel contacten, hij keek echt om naar anderen. Het meeste hoorde ik pas na zijn overlijden. Bijvoorbeeld dat op de orgelbank veel problemen zijn opgelost.'
In de Bovenkerk lag Zwarts leven. 'Vaak was het, terwijl hij net thuis was: „O, even kijken of ik de motor wel uitgedaan heb.” Dan kon hij tenminste nog even terug. De trap naar het orgel moet hij per dag wel zo’n tien keer hebben beklommen.'
Na zijn tweede infarct mocht Zwart absoluut niet spelen van de dokter. 'En dus zat hij zondags naast mij, in de bank. Maar halverwege, bij de collectepsalm, kon hij niet meer blijven zitten. Dan stond hij op en liep, heel bedaard, dat lange pad door het middenschip, naar de orgeldeur. Dan ging hij toch naar boven. En even later kon iedereen het horen: Zwart speelt weer.'